Naar school in de puberteit: een letterlijke brainstorm

15 september 2020

De middelbare scholen zijn weer begonnen. Leerlingen moeten weer wennen aan vroeg opstaan na een tijd van coronacrisis en zomervakantie. Hoe goed gaat dit vroege opstaan? En hoe goed is dit vroege opstaan nou eigenlijk voor de leerlingen?

Pubers pas naar school wanneer ze zijn uitgeslapen?

In gesprek met collega Tess Beking, onderzoeker die gepromoveerd is op de invloed van hormonen op de hersenontwikkeling van geboorte tot puberteit, kwamen we op de vraag of onze scholen wel genoeg aandacht besteden aan de manier waarop de hersenen van leerlingen zich ontwikkelen. We kennen allemaal het beeld van de puber die moeilijk wakker te krijgen is ‘s ochtends. Zou het daarom bijvoorbeeld niet veel effectiever zijn om scholen veel later te laten beginnen? Zijn er wel ideale lestijden? Hoeveel ruimte moet er zijn voor de toename van testosteron en hormoonschommelingen? Hoeveel kun je leren als je hersenen nog in ontwikkeling zijn? Verschillen jongens en meisjes echt zoveel als gedacht wordt?

Tijd voor een klein gedachte-experiment: zouden we scholen zo in kunnen richten dat ze aansluiten bij de ontwikkeling van onze hersenen?

Er is geen standaard brein

Laten we beginnen met: er is geen standaard (puber)brein. Iedereen is uniek en smaken verschillen. Een blauwdruk voor dé school die afgestemd is op elk puberbrein bestaat niet. Geen magische “Breinstein Hogeschool voor Hormonen en Hersenen” dus. Dat gezegd hebbende, er is steeds meer bekend over de ontwikkelingen die o.a. tijdens de puberteit plaatsvinden en we kunnen wel brainstormen over veranderingen waar een groot deel van de leerlingen mee te maken krijgen.

De puberteit is een fase waarin het lichaam zich gaat voorbereiden op een nieuwe levensfase – de volwassenheid. Hormonen spelen hierbij een cruciale rol. Het woord ‘hormoon’ heeft een Griekse oorsprong en betekent letterlijk “in beweging zetten”. Hormonen zijn de boodschappers van ons lichaam en zorgen ervoor dat het lichaam en de hersenen zich blijven aanpassen aan de omgeving en de levensfase. Dit zie je duidelijk terug in allerlei lichamelijke veranderingen in de puberteit, maar ook in de hersenen en het gedrag.

Laten we bijvoorbeeld beginnen met de behoefte van de meeste pubers om uit te slapen: bij hen wordt het slaaphormoon melatonine later op de avond afgegeven dan bij jongere kinderen. Daardoor krijgen ze pas later slaap en worden ze ook later wakker. Dat betekent dat het slaap-waakritme verandert. Door de groeispurt heeft een puber minimaal 9 uur slaap per nacht nodig. Dat is door de week lastig haalbaar, waardoor het weekend vaak gebruikt wordt om uit te slapen (met twijfelachtig effect).[1] Zou het niet beter voor de gezondheid én effectiviteit zijn om scholen later te laten beginnen? Of om flexibiliteit in lesuren in te bouwen?

In het brein ontwikkelt de prefrontale cortex – het gebied dat vooral gaat over plannen, initiatief nemen, impulsen afremmen, etc. – zich in de puberjaren. Dat kan soms voor problemen of uitdagingen zorgen. Denk aan roekeloos gedrag en het nemen van onnodige risico’s. Tegelijkertijd biedt het ook kansen: pubers leren snel, zijn vaak goed in het bedenken van creatieve oplossingen en ideeën en zijn vindingrijk. Wanneer pubers gemotiveerd zijn, aangemoedigd worden en de ruimte krijgen kunnen hun talenten ook optimaal tot bloei komen.[1] Hoe kunnen scholen deze positieve kanten beter benutten?

Hoe kan de school het brein helpen?

Naast wetenschappelijke kennis moet ook de praktijkervaring niet vergeten worden. Docenten hebben door jarenlange ervaring allerlei werkende manieren gevonden om met pubers om te gaan. Ze weten bijvoorbeeld dat het belangrijk is om pubers structuur en ruimte te geven. Ook weten ze dat sociale contacten met leeftijdsgenoten – vrienden, klasgenoten, digitaal en fysiek – enorm belangrijk zijn in deze leeftijdsfase. Autonomie ontwikkelen en status vergaren zijn belangrijke drijfveren. Zo belangrijk, dat dit kan conflicteren met aandacht en motivatie voor school. Docenten die jongeren weten te motiveren, maken vaak gebruik van onderwerpen en methoden die aansluiten bij deze drijfveren.

Het punt dat wij hier willen maken is dat we veel kunnen leren van breinonderzoek. Hoe leren wij leren? Het is daarom interessant om als onderwijsinstelling te bekijken hoe je (brein)onderzoek kunt gebruiken om het leerrendement van je doelgroep zo groot mogelijk te maken. Al is het maar als startpunt van een brainstormsessie. Het is vanzelfsprekend niet mogelijk voor een onderwijsinstelling om eindeloos differentiatie in te voeren om voor elk type brein, iedere wens en behoefte een ander leeraanbod te maken. (Of toch wel?! Wij nodigen je uit hierover na te denken). Echter, voor grote groepen kan deze kennis wel degelijk een positieve impact hebben. Denk bijvoorbeeld aan pubers, maar ook andere leeftijdscategorieën, of de verschillen tussen mannen en vrouwen. En dit staat nog los van al het breinonderzoek over bijvoorbeeld verschillen in persoonlijkheid en leerstijlen. Door je blik te vergroten en gebruik te maken van een scala aan breinonderzoeken, kan het leerrendement wel degelijk worden vergroot.

De hersenen zijn de basis van al het gedrag. Ze vertalen de input uit de omgeving naar een output richting de omgeving. Actie, reactie. Als omgeving hebben wij hier dus zeker invloed op, maar het is wel goed om in gedachten te houden hoe deze vertaalslag – onder grote invloed van allerlei hormonen in het lichaam – het beste gemaakt kan worden.

[1] Eveline Crone, Hersenstichting, Jongeouders.nl, ouders.nl, Psychologie Magazine

Neem contact op voor meer informatie